Algemene kenmerken

De Somali wekt de indruk dat zij onder natuurlijke omstandigheden, het leven in de jungle of bij de zilvers het leven op de toendra’s, in staat zijn hun eigen kostje bij elkaar te scharrelen. Ze zijn middelgroot, gemiddeld slank, soepel en gespierd met een gemiddeld gewicht voor ongecastreerde poezen van vanaf drie kilo, de katers wegen tussen de vier en zes kilo.

Hun kopje mag geen vlakke kanten hebben maar moet juist zachte en gracieuze contouren vertonen. Hun grote amandelvormige ogen mogen zowel donker barnsteenkleurig, als geel of groen van kleur zijn, mits ze maar stralend en uitdrukkingsvol zijn. Bij de Abessijn ziet men graag een zo kort mogelijke vlak aanliggende vacht terwijl bij de volwassen Somali juist een volle zeer zacht (zijdeachtig) aanvoelende vacht van een gemiddelde lengte met royale broek en kraag de voorkeur verdient. De zo voor dit ras kenmerkende ticking bestaat bij voorkeur uit twee of drie gekleurde bandjes met een donkere tip op iedere haar. Bij de wildkleur en zwartzilver zijn de tips zwart, bij de sorrel en sorrelzilver zijn ze kaneelkleurig en dito voor de blauwtjes en fawns.

Ediths Sarah met haar eigen kinderen én die van haar zus. De vader van onze Zagato.

Al in de oudste rasstandaard van de Abessijn werd naast de wildkleur ook de zilver Abessijn beschreven. Deze standaard dateert van 1889 en is van de hand van de grote kattenkenner Harrison Weir. Opvallend is dat de beschrijving van dit ras in al die jaren niet echt veranderd is. Natuurlijk is het uiterlijk van de Abessijn in de loop van de jaren veranderd maar de verandering is niet zo in het oog springend of extreem als die bij de andere rassen. De uiterlijke veranderingen van de Somali volgen die van de Abessijn. Zo werden ze eleganter en kregen ze grotere oren. Bij de start van dit ras enkele decennia geleden had het al een prachtige warme vachtkleur, sommige dieren kregen ook de naam van de eekhoorn of de houtkleur mahonie, in Engelstalige uitvoering, in hun naam verwerkt.

Alle kleurslagen die bij de Abessijn bestonden, vonden ook hun weg naar de Somali. De fokkers en liefhebbers van de halflangharige versie lijken wat meer interesse te hebben voor het totale mogelijke kleurenpalet dan die van de Abessijn. Dankzij de bij de Abessijn teruggefokte zilvertjes, deze kleur was begin vorige eeuw uitgestorven, waren er kort na de erkenning van dit ras, al Somali’s in deze kleur. Al deze mogelijkheden resulteerden in acht bij de FIFe erkende kleurslagen:

  • wildkleur (zwarte ticking op een abrikooskleurige ondervacht);
  • sorrel (cinnamon; kaneelkleurige ticking op een abrikooskleurige ondervacht);
  • blauw (grijze ticking op een havermoutkleurige ondervacht);
  • fawn (de verdunningsfactor die de kleur blauw geeft, geeft samen met de genen voor sorrel de kleurslag fawn; donkercrème ticking op een licht beige ondervacht);

Deze vier tickingkleuren bestaan ook bij de zilvers en heten dan resp. zwartzilver, sorrelzilver, blauwzilver en fawnzilver. Bij andere organisaties zijn nog meer kleuren erkend, van chocolate, lilac tot tortie met en zonder zilver. Waar wel aandacht aan geschonken dient te worden, is de wetenschap dat nieuwe kleuren van dit ras ‘opgehaald’ moeten worden bij andere rassen. Daar is (terecht en dat vind ik ook) bij de fokkers van de traditionele kleuren veel weerstand tegen. Niet alleen heeft het kruisen met andere rassen of niet-fokzuivere dieren gevolgen voor het type (over-elegant, minder rastypische gezichtjes, schade aan de kleurkwaliteit) maar er kunnen ook ongewenste genen ons ras binnendringen: wie zit er te wachten op een erfelijke hartkwaal? Dit is binnen ons ras uiterst zeldzaam en dat moeten we zo houden!

Twee katertjes van de Everlasting Joy cattery (moeder is Silfescian Charmin’ Chanine, de grootmoeder van onze Elfie).